zaterdag 27 maart 2010

DENKBEELDIGE VRIENDJES

Hoe denkbeeldig zijn ze eigenlijk?
Dat kun je je afvragen bij het volgende verhaal, uit Fortean Times van 1984.
Anthony McQuone was in dat jaar een knulletje van twee.
Het kind was een wondertje: hij sprak voortreffelijk, citeerde Shakespeare, kende Latijnse woorden en begrippen, had verstand van architectuur, muziek, sport en politiek.
Niet de gemiddelde peuter, dat is duidelijk.
Uitgekeken op sprookjes en zich ergerend aan het kromme taalgebruik van sommige kinderversjes, onderhield de jongen zich liever met zijn onzichtbare Romeinse leraar Adam, van wie hij het vocabulaire scheen over te nemen. Adam was gekleed in toga en caliga (sandalen) en hij had een baard.
Anthony kende het alfabet maar kon nog niet lezen. Dat zal Adam hem intussen wel hebben bijgebracht.

Hoe dan ook, verhalen over denkbeeldige vriendjes die meer dan denkbeeldig zijn duiken regelmatig op.
Zo was er die vader die goedmoedig zijn zoontje z'n denkbeeldige speelgenootje gunde, want het zou wel over gaan, wist hij.
Tot hij op een dag zijn zoon een bal zag gooien, een bal die halverwege in de lucht bleef hangen...

Denkbeeldige vriendjes kunnen bedriegelijk stoffelijk lijken voor het betreffende kind.
Zoals voor die nu volwassen vrouw, die vertelde over een vriendinnetje in het hotel waar het gezin elk jaar naar toe ging. Pas vele jaren later kwam ze erachter dat dat meisje al jaren dood was toen zij haar leerde kennen...

Michael Hallowell deed onderzoek naar het verschijnsel en schreef er een boeiend boek over: Invizikids.
Dat onderzoek kwam voort uit zijn eigen jeugdervaring, en zijn verwondering dat er geen parapsychologisch onderzoek is gedaan, ondanks de paranormale kanten van het fenomeen.

De psychologie staat nog altijd op het standpunt dat het een tijdelijke kwestie is, en dat ouders, mits het kind realiteitsbesef houdt, zich geen zorgen hoeven te maken. De mening dat kinderen die tekortkomen aan echte vriendjes op zoek gaan naar fantasiekameraadschap, overheerst de informatie, en vanuit die theorie worden ouders geadviseerd.
Maar dat is niet waar, ontdekte Hallowell, ook kinderen die sociaal niks te kort komen hebben zulke onzichtbare maatjes, en niet alleen als ze jong zijn; het kan doorgaan tot in de puberteit.


Bij zijn onderzoek is Hallowell gebleken dat er wetmatigheden zijn in de soorten 'imaginary friends' , en dat het bovendien een intercultureel verschijnsel is. Na een oproep in Fortean Times kreeg hij reacties uit alle werelddelen. Die hadden tot Hallowells verwondering bepaalde kenmerken met elkaar gemeen.
Hij is ervan overtuigd dat er meer aan de hand is dan een levendige fantasie, mede ingegeven door zijn eigen jeugdervaringen.
Het imaginaire vriendje (dat ook een dier of een voorwerp of een volwassene kan zijn) bezit vaak een onmiskenbare echtheid, ook al tart het de wetten van de stoffelijkheid. In dat opzicht zijn er parallellen met aliens en interdimensionale wezens. Als sommige vriendjes 'echt' zijn, dan betekent dat in ieder geval niet per se dat het geesten zijn van overleden kinderen.

In dit verband vertelt Hallowell een geval van een jongen die zijn vriendje altijd op zag duiken vanuit een bepaalde plek in zijn kamer, vlak naast zijn bed. Op een dag gaat hij daar liggen en valt in slaap. Dan droomt hij van een parallelle werkelijkheid waar hij zijn vriendje ziet lopen in een soort woestijnachtig landschap. Het vriendje verwijt hem dat hij een grens heeft overschreden, en dat hij 'zijn wereld' niet mag binnengaan.

Een prachtig braakliggend terrein voor mensen die het veelvoorkomende fenomeen willen onderzoeken vanuit parapsychologisch oogpunt.
Er valt ongetwijfeld nog een hoop te ontdekken.

Geen opmerkingen: